Maria Renske Schaake. 23-05-2025
Maria Renske Schaake is een Nederlandse internet- en privacyexpert en politica voor D66. Ze is sinds 2019 docent én directeur internationaal beleid bij het Cyber Policy Center van de Stanford universiteit. Ze is privacyexpert en staat bekend als cybercriticus.
U schrijft over de bedreiging van de democratie door technologie. Waar ziet u die concreet?
‘Er zijn vele voorbeelden. Neem de commerciële spionagesoftware waarmee technologiebedrijven aan kopers ervan de capaciteiten van een inlichtingendienst aanbieden, omdat je ermee kan inbreken op een laptop en telefoon, zonder dat het slachtoffer iets verkeerd hoeft te doen. Met die software hebben de kopers toegang tot alles, ook je meest intieme foto’s, contacten en correspondentie, het biedt enorme macht. Je kunt de bronbescherming van journalisten in gevaar brengen of rechters ermee bespioneren. Het ondermijnt dus het functioneren van de rechtsstaat. Je zou het willen verbieden, maar dat blijkt in de praktijk lastig.’
Hoe ziet u de impact van bigtechbedrijven?
‘Hun macht is buitensporig. Kijk je naar de beurswaarde van de tien grootste dan is die vergelijkbaar met de economieën van 27 EU-landen bij elkaar, alleen Microsoft is al ongeveer zo groot als het bnp van Frankrijk. Die enorme marktmacht vertaalt zich in politieke macht. Musk kan met zijn Starlink-satellieten beslissen of hij het internet voor Oekraïners al dan niet openhoudt en dat terwijl hij contacten met Poetin heeft. De macht van big tech zie je ook bij sociale media. Die vormen tegenwoordig voor veel mensen de belangrijkste bron van nieuwsvoorziening. Bij verkiezingen hangen op straat altijd de posters van alle partijen, maar online zorgt een algoritme ervoor dat je de hele tijd maar één poster ziet en het geluid van een enkele partij hoort – kijk maar op X, waar Musk zijn anti-Europese, extreemrechtse kijk pusht. Gebruikers accepteren wat ze op het internet zien als een soort waarheid, ze hebben veel te weinig zicht op de belangen die bij het programmeren van de algoritmes meespelen. Wat er op sociale media gebeurt, schuurt met het idee van een pluriform publiek debat.’
U ziet ook een bedreiging voor de democratie in het uitbesteden door overheden (zoals de Nederlandse) van IT-systemen aan bedrijven. Hoe zit dat?
‘Kerntaken van de overheid zoals het innen van belasting worden met Amerikaanse techproducten uitgevoerd. In Nederland zijn we bijna voor honderd procent afhankelijk van Amerikaanse technologie, als je kijkt naar waar de overheid op draait – ministeries, scholen, ziekenhuizen, noem maar op. Dat betekent dat we veel kernformatie overlaten aan private bedrijven die een heel andere doelstelling hebben dan de overheid. Bovendien weten die hun informatiepositie ten opzichte van overheden steeds verder te versterken, omdat de overheid zelf niet of nauwelijks techtalent ontwikkelt.
‘Er is blind op vertrouwd dat die Amerikaanse bedrijven veilig zijn en goede dienstverlening leveren. Het gevolg is dat de kennispositie van de overheid zozeer is verzwakt dat zij de grip op de eigen IT-systemen kwijt is geraakt. De Belastingdienst moest er jaren voor uittrekken om het eigen systeem te hervormen. Voor de democratie is dat een groot probleem. Belastingwetten die de Tweede Kamer aanneemt, kunnen daardoor niet worden uitgevoerd, een kerntaak van de democratische rechtsstaat. Bedrijven waarop de overheid heeft vertrouwd, lossen het probleem niet op, waardoor je als overheid zelf voor de schade opdraait.’
Zijn we naïef geweest?
‘Onze welwillendheid naar Amerikanen heeft ons zeker parten gespeeld. We vonden al hun technologie vooral mooi en handig, maar keken niet naar de achterliggende machtsdynamiek. Terwijl in de VS zowel Democraten als Republikeinen technologie altijd hebben gezien als een belangrijk instrument om de Amerikaanse macht wereldwijd te vergroten. Nu is Europa door Trump wakker geschud en wordt onze afhankelijkheid plots als een gigantisch risico ervaren. De Fransen hebben wel altijd die machtspolitieke kant van technologie gezien. Tot op de dag van vandaag wekte dat irritatie bij Nederland op, terwijl we eigenlijk royaal hun gelijk moeten erkennen. De Europese industriepolitiek die de Fransen altijd voor ogen hebben gehad, is op digitaal vlak zeer hard nodig.’
Voor onze toekomst met AI hamert u in uw boek op het belang voor Europa van het voorzorgsbeginsel.
‘Als je luistert naar AI-experts dan zeggen die: ‘Deze technologie is onvoorspelbaar, zelfs voor ons. We weten soms niet waarom ons model doet wat het doet.’ Bedrijven hebben een enorme drive hun vindingen zo snel mogelijk op consumenten uit te proberen, daarvan leren hun modellen. Maar het publieke belang is daaraan omgekeerd – je wilt dit soort innovaties eerst beter begrijpen, voordat je het op mensen loslaat. Vergelijk het met medicijnen van de farmaceutische industrie – we accepteren absoluut niet dat er eerst wat doden door een nieuw medicijn vallen. Op digitaal gebied moeten we toezicht op dit soort technologische innovaties gaan normaliseren, een toezichthouder moet ze eerst testen, het voorzorgsbeginsel vereist dat.
‘Ja, dat is tegen het zere been van de Amerikanen. Trump heeft de eerste pogingen tot AI-wetgeving al door de papierversnipperaar gedaan, allerlei toezichthouders worden ontmanteld. Dat maakt het alleen maar belangrijker dat Europa zijn eigen koers vaart en bijvoorbeeld voorkomt dat AI-toepassingen discrimineren. Dat gebeurt al en is onacceptabel. De gevolgen van dit soort innovaties voor de samenleving als geheel kunnen groot zijn. Dit is een slag die we niet mogen verliezen.’
