
Tijdens het Saalien (zo,n 200.000 tot 125.000 jaar geleden) werd het landschap lettrelijk geboetseerd door een gigantische gletsjertong van honderden meters dik landijs.
Deze gletsjer schoof traag naar het zuiden en sleep een enorm diep en breed dal uit. Dit diepe bekken lag precies op de plek waar nu de IJssel stroomt.
Door de enorme kracht van het ijs werd de boem aan weerszijden omhoog gedrukt. Hierdoor ontstonden de Veluwe aan de westkant en de Sallandse heuvelrug aan de oostkant van het dal. Na het smelten van het ijs bleef Deventer achter in een gigantisch smeltwaterdal. Rond 50.000 jaar geleden stroomde de Rijn een tijdlang door dit brede dal richting het noorden. Aan het eidn van de ijstijd zorgde de harde wind er echter voor dat het dal ter hoogte van Deventer weer grotendeels dichtstoof met zandruggen. Dit wierp een natuurlijke barriére op, waardoor de Rijn werd afgesneden en afboog naar het westen. Pas eeuwen later, rond 600 na Chr., brak er definitief weer een Rijntak naar het noorden door: de huidige IJssel. Juist de dejzandruggen en rivierduinen die in het Pleistoceen zijn gevormd, zoals de Noorderberg (Noorderbergkwartier) en de Berg waarop nu de Bergkerk staat, bleven als hogere heuvels droog liggen in het rivierdal. Het is op deze zandhoogten waarop de bewoners van Deventer zich veilig konden vestigen.
