Het einde van The American Century

Europa kan de vijandschap van Amerikaanse zijde niet meer afdoen als een tijdelijke dip, schrijft Stevo Akkerman. Ons lot ligt in onze eigen handen.

Redactie Trouw 13 maart 2025

Nadat Duitsland in mei 1940 Nederland was binnengevallen, publiceerden studenten van de Amerikaanse elite-universiteit Harvard een deftige beginselverklaring. Onder de titel ‘Credimus’, letterlijk ‘wij geloven’, lieten zij weten elke bemoeienis met de oorlog op het Europese continent af te wijzen. “Gegeven de keuze tussen enerzijds de vaststaande en onmiddellijke verschrikkingen en kosten van oorlog, voor onszelf en voor ons land als een sociale democratie, en anderzijds de mogelijkheid van een Duitse overwinning en enige dreiging voor de Verenigde Staten, kiezen wij voor dat laatste. En wij geloven dat dit het standpunt is van het enorme leger van Amerikanen.”

Het woord ‘leger’ was wat ongelukkig gekozen, maar verder hadden de studenten gelijk: er heerste onder de Amerikanen brede steun voor afzijdigheid nu Europa weer één groot slagveld dreigde te worden. De herinnering aan de Eerste Wereldoorlog, waar Amerika tegen wil en dank was ingezogen, bepaalde de stemming nog in grote mate.

Iemand als Ernest Hemingway, die in 1944 met een Amerikaanse legerjeep in Parijs zou arriveren, schreef in 1935 nog het volgende: “In de moderne oorlog is niets zoet en juist om voor te sterven. Je zult sterven als een hond zonder goede reden. Geen enkel Europees land is onze vriend en geen enkel land behalve je eigen is het waard om voor te vechten.”

De twintigste eeuw werd The American Century

In het Amerikaanse isolationisme zat een dosis pacifisme, maar ook wantrouwen jegens Europa, gevoegd bij complottheorieën over Britten, communisten en/of Joden, alsmede ordinaire commerciële belangen. Tussen 1936 en 1940, dus ook na de bezetting van Tsjechië en de inval in Polen, steeg de Amerikaanse export naar nazi-Duitsland met 40 procent.

De Verenigde Staten waren geen partij, dat was wettelijk vastgelegd in de neutraliteitswetten van 1935, 1936 en 1937. Pas na de Japanse aanval op Pearl Harbor, in december 1941, en de oorlogsverklaring van Hitler aan Amerika, kon president Roosevelt zijn land bij de Geallieerden voegen – iets dat niet alleen beslissend was voor de uitkomst van de Tweede Wereldoorlog, maar ook voor de naoorlogse verhoudingen in de wereld: de 20ste eeuw was definitief The American Century geworden.

Wat we nu meemaken, lijkt de bezegeling van het einde van dat tijdperk. Vanwege de opkomst van China, de agressie van Rusland, de voortgaande Europese integratie en de groeiende invloed van nieuwe spelers als India en Saudi-Arabië werd al gesproken van een ‘multi-polaire’ wereld, waarin het soortelijk gewicht van de VS allengs afnam.

Maar met een Trump die zijn handen aftrekt van welke internationale verantwoordelijkheid dan ook en zich een vijand toont van democratie en recht, verdwijnt zo goed als alle vriendschap die het woord ‘Amerika’ ooit opriep. In elk geval bij Amerika’s bondgenoten sinds 1941. Poetin zal er anders tegenaan kijken, Netanyahu ook. Maar dat zijn geen namen die je associeert met een shining city on a hill. Eerder met ruïnes.

De belofte van vrijheid ging altijd samen met agressie

Waar staat Amerika nog voor? Een isolationistische neiging is er altijd aanwezig geweest, soms sterker, soms zwakker. Maar Trump gaat verder, hij wil zijn land het kamp van de autocratie insleuren, al weten we niet hoe ver hij uiteindelijk zal komen. Wat betekent dat voor Europa? Dat de liefdesaffaire met Amerika voorbij is, politiek, militair, wellicht ook cultureel. En dat het tijd is voor zelfreflectie – wie zijn wij Europeanen? Geloven we nog ergens in en zijn we bereid daar offers voor te brengen?

In mijn kast staat een prachtig en kolossaal boek van zo’n zevenhonderd pagina’s: The American Century van Harold Evans. De beschrijving van het afzijdige Amerika van de Harvard-studenten, ontleende ik aan dit boek, dat in zijn vorm zijn onderwerp weerspiegelt. De cover is van hetzelfde zilver als dat van de klassieke Amerikaanse trucks en caravans, een en al schittering.

Binnenin wordt de geschiedenis vanaf 1889 – het begin van de tweede eeuw van de Verenigde Staten – mede verteld door 900 zwart-wit foto’s. Prachtig materiaal, maar zeker niet een en al schittering. Al gauw zien we een massagraf met de lichamen van zojuist vermoorde inheemse bewoners – toen aangeduid als indianen – gedood door soldaten met machinegeweren. Verderop twee zwarte mannen, gelyncht en opgehangen aan een boom, omgeven door de witte inwoners van Marion, Indiana. Uit latere jaren volgen beelden van de communistenjacht onder leiding van senator McCarthy, de moord op Kennedy, de Vietnamoorlog; ik doe maar een greep.

De Amerikaanse belofte van vrijheid en vooruitgang is altijd vergezeld gegaan van agressie, er moest altijd iets worden veroverd of iemand worden overwonnen om een doel te bereiken, maar dat weerhield de wereld er niet van betoverd te raken door ‘het land van de onbeperkte mogelijkheden’.

Via de populaire cultuur, die zelfs werd ingezet door de CIA om het internationale publiek te kietelen, werd de blijde boodschap van de Amerikaanse Droom verspreid. Voor iedereen lag er de kans om het te maken, als je maar hard genoeg knokte kon je van krantenjongen miljonair worden, succes was een keuze, dat was ‘de kracht van positief denken’, zoals predikant Norman Vincent Peale predikte in de kerk waar vader Fred Trump zijn zoon Donald mee naartoe nam.

Voor veel Amerikanen valt er niks te dromen

Er was een tijd dat ik wel in Amerika wilde wonen, vooral om professionele redenen, maar dat is me nooit gelukt – onvoldoende positief gedacht, ongetwijfeld. Maar journalistieke reizen brachten me er toch vaak genoeg om het land redelijk te leren kennen en onder de indruk te raken van het geweld en de gierende ongelijkheid die je er aantreft. Voor veel Amerikanen valt er niets te dromen. Een ‘Wilde Westen zonder sheriff’, zei een official in Cleveland over het Amerikaanse kapitalisme, nadat ik het zieltogende Slavic Village had bezocht, de postcode-wijk met de meeste gedwongen woningverkopen in de VS.

Kort na 9/11 was ik in New York, in een stad die opeens meer Amerikaanse vlaggen leek te tellen dan inwoners. Er kwam nog rook uit de puinhopen van het World Trade Center, dit was geen moment om je te storen aan het patriottisme, sterker nog: ik kocht zelf ook wat USA-prullaria om mee naar huis te nemen – spullen die bij nadere inspectie made in China bleken.

Er ging een golf van solidariteit met Amerika door de wereld, niet in de laatste plaats door Europa. Voor het eerst, en tot dusver ook het laatst, werd artikel 5 van het Navo-verdrag in werking gesteld; de Europese bondgenoten beschouwden de aanval op de VS als een aanval op allen, en ze vochten mee in de vergeldingsoorlog tegen het Taliban-regime in Afghanistan.

Toch luidde deze episode iets anders in dan een nog warmere omhelzing tussen Amerika en Europa. President George W. Bush koos voor de strijdkreet ‘Wie niet voor ons is, is tegen ons’ en wat aanvankelijk een gerechtvaardigde operatie leek tegen Al-Qaida – dat in Afghanistan onderdak had gevonden – werd met de aanval op Irak en de onwettige inrichting van Guantánamo Bay als terroristen-gevangenis een aanfluiting van het internationale recht.

En al was de Europese opstelling zoals gebruikelijk niet eensgezind, het dreef Amerika en Europa wel uit elkaar. Niet alleen vanwege de Europese bedenkingen overigens, ook vanwege de Amerikaanse aspiraties. In een analyse voor een Amerikaanse denktank schreef William Wallace al in november 2001, twee maanden na9/11, dat het idee van de VS als mondiale alleenheerser de Europeanen in een nog ondergeschiktere positie zou brengen. “De Europese regeringen moeten zich realiseren dat Europa er voor de VS nu veel minder toe doet dan in de voorbije halve eeuw.”

In Amerika bestaat een permanente onderstroom van superioriteitsdenken

Het was, weten we nu, een voorbode van wat zich onder Donald Trump voltrekt; de loskoppeling van het oude en het nieuwe continent. Of die definitief zal zijn, moet nog blijken, maar het is duidelijk dat Europa de vijandschap van Amerikaanse zijde niet meer af kan doen als een tijdelijke dip. Kon je bij de eerste termijn van Trump misschien nog geloven dat de Amerikaanse kiezers zich hadden overgegeven aan een korte verstandsverduistering, nu is dat onmogelijk.

Zelfs als Trump na vier jaar weer wordt afgelost door een Democraat (en zich dus geen derde termijn toeëigent), moet Europa weten dat het zich niet kan veroorloven afhankelijk te zijn van de VS. Niet alleen kan er altijd een volgende Trump komen, er bestaat in Amerika sowieso een permanente onderstroom van superioriteitsdenken gecombineerd met eigen-volk-eerst-sentimenten – zie het isolationisme tot aan december 1941.

Er is een dodelijke agressor op het continent en Amerika houdt zich afzijdig, erger nog: het heeft zijn schild weggetrokken. Wat betekent dat voor Europa? Een bedreiging. Wat kan Europa doen? Zich verenigen. Geschiedenis schrijven.