Dit artikel is geschreven doorBeatrice de Graaf. Gepubliceerd op 21 september 2025

Soms rijd je met de trein back to the future. Van een historische crisis naar een hedendaagse. Een crisis van het collectieve historische bewustzijn in Den Haag, welteverstaan.
Dat overkwam me vorige week toen ik van Duitsland naar Nederland treinde. Ik was in Bonn bij het grootste geschiedeniscongres aldaar geweest, en had verteld over de strijd tegen terrorisme in Nederland en Duitsland in de jaren zeventig. In West-Duitsland (Duitsland was toen nog gedeeld) pleegde de RAF tientallen aanslagen, gijzelde en doodde de Palestijnse terroristische organisatie Zwarte September Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München. In totaal kwamen meer dan dertig mensen om in het zogeheten ‘rode decennium’.
Gevangenis Stammheim werd een symbool
In Nederland was het relatief gezien (voor een kleiner land) niet minder gevaarlijk: in datzelfde decennium kwamen er hier veertien mensen om bij aanslagen door Molukkers, de RAF en de IRA, plus nog zes Molukse terroristen (die door speciale eenheden bij de bevrijding van de gegijzelde trein werden doodgeschoten). In de Bondsrepubliek Duitsland riep de regering een crisis uit, verklaarde de noodtoestand, voerde razzia’s (Rasterfahndung) uit en veegde supporters, mensen die sympathie aan de RAF betuigden en ondersteuners op één grote hoop. De speciale hoogmoderne gevangenis in Stammheim werd symbool voor de Duitse strijd tegen terrorisme.
In Nederland reageerden journalisten en politici met afgrijzen op de Duitse ‘superkerker’. Was er bij de Oosterburen opnieuw een ‘terreurstaat’ aan het ontstaan? Hier werden te midden van eenzelfde golf van aanslagen óók maatregelen genomen, speciale eenheden opgetuigd en verdachten gearresteerd. Maar, zo vond het kabinet-Biesheuvel al in 1973, en zo herhaalde de regering-Den Uyl in 1977: de ‘open samenleving’ en de rechtsstaat mochten niet door terreurmaatregelen ondermijnd of ingeperkt worden. Daarom kwamen er géén nieuwe wetten, bleef terrorismebestrijding een zaak van bestaande strafrechtsparagrafen en handhaving en werd journalisten verzocht liever niet teveel over de acties van de Rode Jeugd, de Molukkers en de Palestijnse commando’s te berichten.
Daadkracht is niet apolitiek
In Theater van de angst (2010) introduceerde ik de term performative power (performativiteit): de mate waarin overheden terrorismebestrijding inzetten als middel om de bevolking rond hun politieke agenda te mobiliseren. In tijden van crisis, zo is het gevoel, moet een overheid daadkracht tonen. Maar daadkracht is niet apolitiek, ook al probeert een regering die indruk te wekken.
Antiterrorismewetten en –maatregelen zijn bij uitstek geschikt om een theater van de angst te creëren rond politieke tegenstellingen. Terrorismewetten en het plaatsen van groepen en bewegingen op een terrorismelijst creëren een uitzonderingssituatie. Rond die groepen wordt een soort noodtoestand uitgeroepen. Mensen, groepen, handelingen, uitlatingen kunnen als terroristisch worden aangemerkt, buiten de orde worden geplaatst en tot zware veroordelingen leiden.
Back to the future
De grens tussen denken en doen, overtuiging en gewelddaad vervaagt. Het zwaaien met een vlag kan al bewijs zijn om iemand voor terrorisme vast te zetten. De toename van veel van dit soort maatregelen correleerde in West-Duitsland, Italië en de Verenigde Staten, zo bleek, met een daaropvolgende golf van nieuwe incidenten en aanslagen. Ergo, meer performativiteit van contraterrorismemaatregelen leidt niet per se tot een afname van aanslagen.
Al dat bespraken we in Bonn, waarbij de Duitse collega’s zeer geïnteresseerd waren in de historische Nederlandse overweging in de jaren zeventig om de ‘open democratie’ te willen beschermen. Maar toen reisde ik terug naar Nederland en zag de berichten verschijnen: de Tweede Kamer had zonet een motie aangenomen om Antifa tot terroristische organisatie te verklaren. Wat doe je dan? De eerstvolgende trein terug nemen naar Duitsland, waar ook veel aan de hand is, maar waar de constitutionele discussie tenminste met diepgang en ernst gevoerd wordt? Of toch doorrijden, back to the future, en de geschiedenis gebruiken om te proberen die crisis van de collectieve amnesie te helpen beëindigen? Deze column is uw antwoord.
Beatrice de Graaf is faculteitshoogleraar geschiedenis en internationale betrekkingen aan de Universiteit Utrecht en wetenschappelijk directeur van Adapt!, een nationaal onderzoeksproject om Nederland weerbaar te maken bij crises.
